Heilige huisjes…
Van jongs af aan leren we dat ouders onaantastbaar goed zijn voor hun kinderen. De ouderlijke rol wordt in onze cultuur vaak verheven tot een heilig huisje dat niet ter discussie mag staan. We worden geacht onze ouders eer te bewijzen, ongeacht de werkelijkheid van onze eigen ervaringen. Maar wat als deze zienswijze niet alleen onze perceptie van familiebanden beïnvloedt, maar ook diepgewortelde psychologische mechanismen in stand houdt?
De kinderlijke oerangst – de existentiële angst niet geliefd te worden door onze ouders, en in het bijzonder door onze moeder – ligt aan de basis van een oneindige bereidheid tot liefhebben en lijden. Dit is geen bewuste keuze, maar een instinctieve respons die diep in ons zenuwstelsel geworteld zit. Zonder de liefde van onze primaire verzorgers zijn we immers kansloos, biologisch en emotioneel. Dit overlevingsmechanisme drijft een kind ertoe om zich onvoorwaardelijk aan te passen en op te offeren, zelfs als dat ten koste gaat van het eigen welzijn.
Wanneer we dit proces vanuit het perspectief van het symbiose trauma bekijken, krijgen we een dieper inzicht in de onderliggende dynamieken. Symbiose trauma ontstaat wanneer een kind niet als een autonoom wezen wordt gezien, maar als een verlengstuk van de ouder. Dit leidt tot een verstoring van de natuurlijke ontwikkeling van eigenheid en grenzen. Het kind leert dat liefde niet vrijelijk stroomt, maar verdiend moet worden – door gehoorzaamheid, door aanpassing, door het onderdrukken van eigen behoeften. Dit creëert een patroon dat zich vaak tot ver in de volwassenheid voortzet: een eindeloze zoektocht naar erkenning, bevestiging en een gevoel van bestaansrecht.
De vraag die we onszelf zouden moeten stellen, is: waarom houden we als samenleving deze dynamiek in stand? Waarom eren we het lijden dat voortkomt uit kinderlijke afhankelijkheid, in plaats van het te erkennen en te helen? Het doorbreken van het heilig huisje van ouderlijke onfeilbaarheid betekent niet dat we ondankbaar of respectloos zijn. Integendeel, het betekent dat we ruimte maken voor een gezondere, eerlijkere verbinding – waarin zowel ouders als kinderen als volwaardige, autonome mensen worden gezien.
Misschien is het tijd om niet langer de onvoorwaardelijke eerbied voor ouders als hoogste goed te beschouwen, maar in plaats daarvan te kijken naar wat werkelijk nodig is voor een evenwichtige en liefdevolle ontwikkeling. Dat begint met het erkennen van de angst, het patroon en de wond die vaak van generatie op generatie wordt doorgegeven. Pas dan kunnen we werkelijk vrij liefhebben – zonder dat liefde synoniem is met lijden.